
Heilige Bonen
Heilige Bonen vertelt het verhaal van drie zussen: Marieke.Thérèse en Clémènce.
Ze wonen in Lisieux, een klein Frans dorpje waar nooit iets gebeurt.
Hun vader is horlogemaker maar heeft geen tijd om tijd te hebben.
Hun moeder is de laatste tijd heel moe.
Meneer doktoor komt elke dag fluitend langs maar gaat mompelend weer buiten.
Op school is er een “nieuwe” gearriveerd voor turnen: Madame Dennis.
Zij komt uit Parijs, heeft liefdesverdriet en gelooft dat je een beter mens wordt door veel te bewegen.
Dikke Jeroom van de buren heeft een fiets. Een primeur voor het dorp.
Elk van de zussen fantaseren een spannend bestaan.
Elke zus leeft in een andere realiteit.
Tot er op een dag een mirakel gebeurt.
Heilige Bonen gaat over familiebanden, over achterklap, over de samenstelling van een dorp en een maatschappij in zijn geheel, over het verlies van onschuld, het loslaten en hoe om te gaan met verdriet en/of het verlies van een moeder. De zussen zoeken elk op hun manier een weg om te geloven dat iemand niet weg is omdat hij sterft.
Meer dan over godsdienst gaat Heilige Bonen over de zoektocht naar een eigen waarheid. En drie manieren om ze te zoeken.
In Hendrik 8 was het geschiedkundige relaas van Hendrik de achtste en zijn obsessie om een zoon te verwekken, de achtergrond om het verhaal te vertellen over de relatie tussen een vader en zijn tienerdochter. In Wat Als? was het geschiedkundige relaas van Pierre en Marie Curie in hun zoektocht naar radium, de achtergrond om het verhaal te vertellen over de relatie tussen een man en een vrouw met compleet uiteenlopende visies op liefde en leven. In Heilige Bonen is het geschiedkundige relaas van Thérèse van Lisieux en de omwentelingen in het 19de eeuwse Frankrijk*, de achtergrond om het te hebben over de conflicten binnen een gezin, het verlangen om te weten wat er achter de grenzen van het leven ligt en over de invloed van keuzes die je als tiener moet maken op je volwassen leven.
Heilige Bonen is dus geen godsdienstles, noch een voorstelling die het bestaan van god wil bewijzen of ontkrachten. De voorstelling richt zich tot alle jongeren van vandaag.
Met veel zin voor humor en dramatiek vertellen we een universeel verhaal van 3 zussen. De titel verwijst naar de dubbelheid van schijn en realiteit: iemand die er braaf uitziet is het daarom niet altijd; iemand die er gevaarlijk uitziet, is het daarom niet altijd!
*(periode van het proces tegen Flaubert naar aanleiding van zijn boek Madama Bovary, verschuivingen in het wereldbeeld en visie op mannen en vrouwen, opvoeding en geloof)
Tekstfragmenten
Hieronder wat tekstfragmenten die een beeld kunnen geven van de personages, het dorp en zijn inwoners, de periode en de mentaliteit op het einde van de 19de eeuw en dergelijke. Dit zijn werkteksten.
Clémènce:
Ik ben Clémènce Martin.
Niet dat iemand mij dat ooit gevraagd heeft.
Niet dat het jullie veel zal zeggen.
Het gaat alleen maar over mijn zusters.
Over Marieke, dat is oudste.
En over Thérèse, dat is de jongste.
Ik hang daar tussen in.
Ik ben gemiddeld.
Middelmatig.
In alles.
Gemiddelde punten op school.
Gemiddelde lengte en gewicht.
Ik ben overal “redelijk” goed in.
Ik kan ‘redelijk’ goed zwemmen.
Ik kan ‘redelijk’ goed naaien.
Ik kan ‘redelijk’ goed lezen.
Alles is bij ook een mix van twee of meer eigenschappen.
Mix van blond haar en bruin haar. En een beetje zwart.
Mix van moeder haar zachtheid en vader zijn zwijgzaamheid.
Ik ben ook niet “echt” iets.
Ik ben niet ‘echt’ mooi.
Maar ik ben ook niet ‘echt’ lelijk.
Ik heb geen ‘echt slecht’ gebit.
Maar met een beugel zou het misschien wel ‘beter’ zijn.
Ik ruik niet ‘echt’ lekker.
Maar het is niet dat ik stink.
Ik snurk niet ‘echt’, zeggen mijn zusters.
Maar ‘echt’ stil ben ik ook niet.
Ik knarsetand.
Of neen.
Ook niet ‘echt’.
Meer smekken.
Wij wonen in Lisieux.
Een klein dorpje in Frankrijk.
Zes vierkante kilometer groot.
Honderdtachtig inwoners.
Twee kerken, een basiliek,
acht kappelekens,
en negen cafés.
Duizend jaar geleden is ons dorp op onverklaarbare wijze in de grond gezakt.
En verdwenen.
In het gat van de aarde.
Ineens.
De mensen hoorden het kraken.
De bliksem sloeg in.
Donder en hagel.
De hemel opende zich en oog van god bliksemde heel het dorp naar de verdoemenis.
(....)
Ondertusen is ons dorp stillekes aan weer naar boven gekomen.
We moeten nog altijd opletten voor overstromingen.
We liggen 5 kilometer onder de zeespiegel.
Maar het dorp stijgt.
Elk jaar.
Eén centimeter.
Het is nooit stil in ons dorp.
Ook ’s nachts niet.
Ge hoort altijd gefezel en gefluister.
Iedereen weet altijd alles.
Maar ze zeggen niets.
Toch niet luidop.
Misschien is den duivel wel nooit weg geweest.
Heeft hij de gedaante aangenomen van mijn zusters.
Ha!
(...)
Marieken is verliefd op Jezus.
Ze zit hele dagen in de kerk.
Op de eerste rij.
Ze zingt in het koor.
Heeft een engelenstem.
Gaat slapen met het heilig boek.
Draagt een kruiske op haar hart en in haar onderbroek.
Ik snap het niet goed.
Ons ouders zijn trots op haar.
Heel het dorp.
Ze heeft een roeping.
Zij zal Lisieux terug eerbaar maken.
(...)
Thérèse wil altijd alles anders doen.
Of achterstevoren.
Al van bij de geboorte.
Eerst haar beentjes, dan de rest.
Het alfabet start bij haar bij de –z.
Ze leest eerst de laatste bladzijde van een boek en keert dan terug.
Ze eet eerst haar dessert, dan de hoofdschotel en eindigt met de soep.
En als ons moeder daar iets van zegt, eet ze dagen niets.
Op school spreekt ze de meester altijd tegen.
Omdat ze beter wil weten.
Ze weet het ook beter.
Maar dat moogt ge niet tonen, zeggen de mensen.
Want dat is hoogmoed. Of ijdelheid.
(....)
Thérèse:
Vandaag is het herdenking van kleine Louis.
Ons broertje.
Hij is gestorven toen hij nog maar 5 dagen oud was.
Het is mijn schuld.
Zegt mijn moeder.
Maar als ik vraag waarom trekt ze haar woorden terug in.
Dat ik mij dat niet moet aantrekken.
Ik was nog maar twee jaar toen dat moet gebeurd zijn.
Ik herinner mij niets.
Op mijn kamer brandt er kaarsje.
Voor hem.
En ik draag zijn fotooke onder mijn hart.
Marieken:
Mijn moeder heeft mij zo hard gewild dat ik soms de navelstreng nog rond mijn nek voel.
“Gij zijt mijn eigen mirakel, Marieke.”
Mijn moeder is onbevlekt ontvangen.
Denkt ze.
Ik denk niet dat dat kan.
Maar ik heb het hart niet haar tegen te spreken.
“Uw kamerken is in mijn hart, Marieken”.
Mijn zusters kunnen dat niet verdragen.
Maar zij begrijpen niet wat het is om de eerste zijn.
Tenslotte kan er maar één den eerste zijn.
Mijn moeder was al vier jaar getrouwd met ons vader en ze was nog altijd niet zwanger.
Mijn moeder begon van miserie altijd maar meer te praten en mijn vader zei steeds minder.
Ze hadden er elk hun eigen gedacht over.
Het idee is in de opera ontstaan.
Ons moeder ging altijd samen met meneer doktoor naar de opera.
Omdat zijn vrouw Cérise daar horendol van werd, kreeg zij haar kaartjes.
Tijdens “La dame aux camelias” riep mijn moeder ineens uit: ik moet naar Lourdes!
En gij gaat met mij mee want mijne Louis gaat daar nooit mee akkoord gaan.
En zweer dat ge daar tegen niemand iets over zegt.
Twee dagen later zijn ze vertrokken.
Toen ze terug thuis kwam, begon ze te spugen.
Dagen aan een stuk.
Zeven dagen later kwam ze er terug door.
En wat bleek: ik zat ik in haar.
Enfin, was ze zwanger.
Soms wil ze nog altijd dat ik op haar schoot kom zitten.
Zelfs al ben ik bijna twee keer zo groot en zo zwaar als haar.
De laatste tijd gaat dat niet meer.
Ze is te moe om rechtop te gaan zitten.
Het is de schuld van kleine Louis.
De oudste zoon van meneer doktoor zit in een rolstoel.
Uit het raam gevallen.
Toen hij 11 jaar was.
Hij eet via buiske en plast via een buiske.
Hij is net zo slim als gij en ik maar hij krijgt het niet gezegd.
Als hij twee keer knippert met zijn ogen, is het ja.
Eén keer, is nee.
Maar in het leven hebt ge meer antwoorden nodig dan ‘ja’ en ‘neen’.
Hij zit bij mij in de klas.
Ik ontferm mij over hem.
Iedereen lacht met ons.
Wij trekken ons daar niets van aan.